Recht op thuiswerken?

Medio maart 2020 stuurden talloze werkgevers hun personeel naar huis vanwege het overheidsadvies omtrent het coronavirus, met als doel het voorkomen van besmettingen. Langzamerhand versoepelen de maatregelen en roepen veel werkgevers het personeel weer op om op de werkvloer te verschijnen, ondanks dat de overheid thuiswerken, voor zover mogelijk, als basisregel blijft benadrukken. Maar de maatregelen en adviezen die de overheid neemt zijn niet altijd duidelijk, en geven ruimte voor interpretatie. Dat kan verschillen van inzicht, en zelfs juridische geschillen, in de hand werken.

Het lijkt er op dat dat werknemers, al of niet vanwege plausibele redenen, er de voorkeur aan geven om thuis te werken.
Deze frustratie uit zich ook bij een commercieel medewerkster van een keukenbedrijf. Op 15 maart 2020 wordt aan de medewerkers van het keukenbedrijf medegedeeld dat zij tot nader order thuis dienen te werken, om de kans op besmetting met het coronavirus zo klein mogelijk te houden. De werkgever geeft vervolgens op 14 april 2020 aan dat het personeel weer op de werkvloer dient te verschijnen. Ook werkneemster voornoemd verschijnt, doch zij vindt dat andere werknemers de social distancing onvoldoende serieus nemen. Werkneemster krijgt alsnog toestemming thuis te gaan werken, onder de voorwaarde dat zij op de werkvloer verschijnt als dat nodig is.

Op 6 mei 2020 besluit werkgever dat al zijn personeel weer op de werkvloer dient te verschijnen, omdat zijn personeel daar (hard) nodig is. De werkgever geeft aan de nodige maatregelen getroffen te hebben om zijn personeel veilig te kunnen laten werken op de werkvloer, met andere woorden: de werkgever heeft de werkplek corona-proof  gemaakt.

Werkneemster zet evenwel de spreekwoordelijke hakken in het zand. Het verzoek om op de werkplek te verschijnen, strookt volgens haar niet met het overheidsadvies, waarbij de basisregel geldt: “werk zoveel mogelijk thuis”. Werkgever stelt daar tegenover dat iedereen op de werkvloer nodig is, en dus ook werkneemster. Werkneemster heeft daar geen boodschap aan en start een kort geding waarin zij vordert tot 1 september 2020 thuis te kunnen werken.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland buigt zich over dit geschil en oordeelt op 16 juni 2020. Hoewel de vordering op andere juridische gronden al spaak loopt, waarmee ik de lezer dezes niet zal vermoeien, oordeelt de voorzieningenrechter inhoudelijk het volgende: “Het zeer ruim geformuleerde overheidsadvies over zoveel mogelijk thuis werken grijpt niet zover in op deze specifieke rechtsverhouding dat werkneemster daaruit een ‘recht op thuiswerken’ kan putten”. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat de werkgever het goed werkgeverschap, de instructiebevoegdheid en de zorgplicht in acht heeft genomen door de nodige maatregelen voor zijn personeel te treffen. Dat ander personeel zich op 14 april 2020 niet aan de social distancing heeft gehouden, wordt als een incident gezien en vormt geen reden om niet te hoeven verschijnen. Het feit dat de zaken voor werkgever weer aantrekken na een stillere periode door opening van de horeca, en het personeel aldus op de werkvloer nodig is, legt ten gunste van de werkgever nog extra gewicht in de schaal.

Heeft u vragen omtrent de gevolgen van de coronamaatregelen op arbeidsgerelateerd vlak? Neem gerust contact met ons op!

Mw. mr. A.J.E. Verschuren

Pennino Advocaten

Reserveren

Kies wanneer u wil reserveren en vul uw gegevens in. Uw reservering is pas definitief als deze is bevestigd door ons.

×

Uw browser wordt niet meer ondersteund

Helaas ondersteunen wij Internet Explorer 8 of lager niet meer.
Onze websites maken gebruik van nieuwe technieken en wij kunnen u daarom geen goede website laten zien.
Klik hieronder om een nieuwe browser te downloaden. een moderne browser downloaden